Beleidsplan Wmo

Wmo-beleidsplannen

Iedere gemeente is verplicht om elke vier jaar een beleidsplan voor maatschappelijke ondersteuning op te stellen. Burgemeester & Wethouders (B&W) werkt daartoe binnen de door de raad gestelde kaders één of meer (deel-)beleidsplannen uit over het te voeren beleid.

Kadervisie

Een kadernota over maatschappelijke ondersteuning schetst de bestuurlijke visie op de inhoud van maatschappelijke ondersteuning en de organisatie ervan. Het bevat in elk geval een onderbouwde benadering van de gemeentelijke regierol: actief sturend, passief sturend of faciliterend. Hoe ziet de gemeente de ‘ideale’ relatie tussen formele en informele zorg, tussen algemene en individuele voorzieningen? Welke verwachtingen leven er over de mogelijkheden van de civil society? Welke ontwikkelingen in rijksbeleid zijn relevant (bijvoorbeeld een regeerakkoord)? Waar is regionale en lokale samenwerking nuttig of noodzakelijk? Waar zit overlap met andere beleidsterreinen (integratie en inburgering, gezondheid, armoedebeleid) en waar worden ook de beleidsmatige grenzen getrokken? Welke betekenis kent de gemeente toe aan beleidsparticipatie? Verder kan de kadernota de relevante voorgeschiedenis van het Wmo-beleid samenvatten en hieruit brede leerpunten en trends destilleren.

Wmo-beleidsplan

De kadernota vormt de fundering van het concrete Wmo-beleidsplan. In het beleidsplan dient in ieder geval te worden aangegeven:

  • wat de gemeentelijke doelstellingen zijn op de prestatievelden (SMART waar mogelijk);
  • hoe het samenhangende beleid wordt uitgevoerd (inclusief afstemming interne organisatie) en welke acties worden ondernomen in de periode die het plan bestrijkt;
  • welke resultaten de gemeente wenst te behalen in de periode die het plan bestrijkt;
  • welke maatregelen de raad en het college van B&W nemen om de kwaliteit te borgen van de uitvoering van de maatschappelijke ondersteuning en risico’s tot een minimum te beperken (risico-analyse);
  • welke maatregelen worden genomen om de keuzevrijheid te bevorderen voor degenen aan wie maatschappelijke ondersteuning wordt verleend.

Het plan heeft uiteraard een financiële onderbouwing, waarin onder meer onderscheid is gemaakt tussen budget voor algemene en individuele voorzieningen.

Daarnaast moet het plan beschrijven hoe burgers en organisaties in de totstandkoming van het plan betrokken zijn. Ook is aandacht nodig voor toekomstige momenten waarop beleidsparticipatie en verantwoording aan burgers vorm krijgt. Richtinggevende vragen daarbij zijn:

  • Op welke wijzen, via welke media of werkvormen, wordt het beleid gecommuniceerd met burgers?
  • Is er een globale planning op te stellen voor mediamomenten?
  • Hoe bereikt de communicatie de kleine en/of lastig te bereiken doelgroepen, cq. hoe bereiken deze mensen en organisaties de Wmo-beleidsmakers bij hun gemeente?
  • Is er specifieke aandacht voor de wijze waarop nadien verantwoording wordt afgelegd aan burgers over het beleid?