Eigen bijdrage

In de Wmo bibliotheek worden praktijkvoorbeelden, producten en ervaringen gebundeld.

De Wmo-bibliotheek is volop in beweging. Beschikt u over een interessant document én wilt u dit delen met andere gemeenten en instellingen? Wij nodigen u uit deze te plaatsen in de bibliotheek.

De Wmo-bibliotheek wordt gevuld door diverse partijen. Het ministerie van VWS, de VNG en de MOgroep zijn dan ook niet verantwoordelijk voor de inhoud hiervan.

In de bibliotheek vindt u ook interventies van Movisie, Verwey-Jonker Instituut en Nederlands Jeugdinstituut

In de Wmo zijn gemeenten verantwoordelijk voor de vormgeving van de gemeentelijke eigen bijdrageregeling. Gemeenten kunnen een eigen bijdrage heffen, maar hoeven dit niet te doen. Het Rijk laat de gemeente vrij in het vaststellen van de hoogte van de eigen bijdrage en de criteria tot het heffen ervan. De gemeente moet zich daarbij wel houden aan de grenzen die het Rijk gaat stellen, binnen deze grenzen heeft de gemeente de beleidsvrijheid. De kaders die door het Rijk zijn vastgesteld zijn in het Besluit maatschappelijke ondersteuning vastgelegd, met name in hoofdstuk 4.

In artikel 4.1 worden vier groepen onderscheiden, namelijk:

  • ongehuwde personen jonger dan 65 jaar;
  • ongehuwde personen 65 jaar en ouder;
  • gehuwde personen indien één van beiden jonger is dan 65 jaar;
  • gehuwde personen die beide 65 jaar of ouder zijn.

In artikel 4.1 wordt voor deze vier groepen een verschillende nominale eigen bijdrage genoemd. Voor iedere groep is een inkomensgrens vastgesteld vanaf waar een inkomensafhankelijke eigen bijdrage mag worden geheven van maximaal 15% van het verschil tussen het verzamelinkomen en de vastgestelde inkomensgrens.

De bedragen die vermeld zijn in artikel 4.1 lid 1 mogen door de gemeente lager worden vastgesteld. In artikel 4.2 is opgenomen dat de gemeenteraad voor de vier groepen de bedragen genoemd in artikel 4.1 in gelijke mate mag wijzigen en het percentage van 15% in gelijke mate mag verlagen. De staatssecretaris heeft in het Algemeen Overleg van 22 juni 2006 toegezegd dat ondubbelzinnig wordt vastgelegd dat het inkomensafhankelijk maximum door de gemeenten alleen kan worden verlaagd.

Enkele voorbeelden om bovenstaande toe te lichten:

  1. Wanneer in de eerste groep wordt besloten dat het bedrag van €17,20 met 10% wordt verlaagd dan moet in de andere groepen het bedrag ook worden verlaagd met dit zelfde percentage.
  2. Wanneer de gemeente besluit om voor mensen met een inkomen van minder dan de vastgestelde inkomensgrenzen in artikel 4.1 lid 1 geen vast bedrag aan eigen bijdrage te heffen dan kan de gemeente ook geen vast bedrag aan eigen bijdrage heffen voor mensen die meer verdienen dan de vastgestelde inkomensgrens. In dit geval betaalt iemand met een inkomen hoger dan de vastgestelde inkomensgrens in artikel 4.1 lid 1 alleen de inkomensafhankelijke eigen bijdrage. Wanneer wordt besloten om deze systematiek in de eerste groep toe te passen dan geldt deze systematiek ook in de andere groepen.

Indien de gemeente het tweede voorbeeld ongewenst vindt, is het mogelijk om via de bijzondere bijstand de eigen bijdrage inzake de Wmo voor mensen met lage inkomens te compenseren. Op deze wijze wordt wel een eigen bijdrage geheven, zodat voor hogere inkomens geen vrijstelling hoeft te worden gegeven.

De gemeente heeft de beleidsvrijheid om per voorziening een verschillende eigen bijdrage te heffen. De gemeente is alleen gehouden aan de kaders genoemd in het geactualiseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning per 1 januari 2009.

In artikel 4.1 lid 5 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is geregeld dat voor bepaalde individuele voorzieningen gedurende maximaal 39 perioden van vier weken een eigen bijdrage in rekening kan worden gebracht. Deze termijn is gekoppeld aan de verstrekking van de voorziening. Indien bij een éénmalige verstrekking, zoals bij het verstrekken van een scootmobiel, na twee jaar geen gebruik meer gemaakt kan worden van de voorziening, mag in het derde jaar geen eigen bijdrage worden geheven. Voor de hulp in het huishouden geldt de genoemde termijn van 3 jaar niet. Hier kan een eigen bijdrage worden geheven zolang gebruik wordt gemaakt van de voorziening.

In artikel 4.1 lid 6 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is geregeld dat voor rolstoelen geen eigen bijdrage is verschuldigd.

Aanpassingen in het Besluit maatschappelijke ondersteuning per 1 januari 2009

Op 30 december 2008 is in staatsblad 607 het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten gepubliceerd.

Als gevolg van dit besluit zijn per 1 januari 2009 enkele aanpassingen doorgevoerd in artikel 4.1 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Het betreft de volgende wijzigingen:

  • Aanpassingen van de maximale bijdragen;
  • De inkomensgrens voor de betaling van de inkomensafhankelijke bijdrage van personen jonger dan 65 jaar is met ruim € 5000,- verhoogd. Door deze wijziging kunnen gemeenten minder eigen bijdragen heffen in het kader van de Wmo. Gemeenten worden hiervoor gecompenseerd. Meer informatie hierover is opgenomen in de septembercirculaire 2008;
  • Op de eigen bijdrage wordt een korting toegepast van 33%. Uit artikel 10 van het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten blijkt dat de korting voor het jaar 2009 in een keer wordt uitgekeerd in het tweede kwartaal van 2010.

Het geactualiseerde Besluit maatschappelijke ondersteuning en het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten treft u aan onder de relevante documenten.

Pgb en de eigen bijdrage in de Wmo

Door diverse gemeenten is de vraag gesteld of de gemeente zelf de eigen bijdrage mag vaststellen en innen en eventueel deze taak aan een derde mag overdragen. Al snel werd duidelijk dat gemeenten dat volgens de wet niet mochten. Alleen het CAK-BZ mag de eigen bijdrage vastellen, opleggen en innen.

Door Per Saldo en gemeenten is aangedrongen om te zoeken naar een manier waarop gemeenten binnen de kaders van de wet, toch een netto-Pgb konden uitvoeren.

Per Saldo de VNG en CAK-BZ zijn tot de onderstaande oplossing gekomen. In deze variant worden de budgethouder en de gemeenten zo min mogelijk administratief belast.

Gemeenten vragen aan het CAK-BZ om over de te verstrekken netto-Pgb de eigen bijdrage te berekenen:

  • Het CAK-BZ berekent de maximale eigen bijdragen en stuurt een kennisgeving en beschikking aan de Pgb-houder;
  • Het CAK-BZ bericht aan gemeenten de berekende maximale eigen bijdragen voor de Pgb's in een periodiek overzicht per gemeente;
  • De gemeente kan aan haar burger een netto-Pgb uitkeren;
  • Tussen de gemeenten en het CAK-BZ volgt geen onderlinge verrekening van de eigen bijdragen ten aanzien van de netto-Pgb
  • Een gemeente kan het administratieve proces rond de netto Pgb's uitbesteden aan een derde partij, pas nadat de netto-variant berekend is.

Meer informatie over de uitvoering van de netto-Pgb kunt u vinden in de handreiking (link naar externe website) van het CAK-BZ.

Eigen bijdrage voor personen jonger dan 18 jaar

Uit artikel 15 Wmo volgt dat geen eigen bijdrage kan worden gevraagd voor maatschappelijke ondersteuning aan personen die jonger zijn dan 18 jaar. In artikel 19 Wmo - dat ingaat op de financiële tegemoetkoming - staat een dergelijke bepaling niet. Het Besluit Maatschappelijke Ondersteuning verwijst in artikel 4.1 echter naar zowel artikel 15 als artikel 19. Gezien de verwijzing in het Besluit moet de gemeente zich bij het opleggen van een eigen aandeel aan de bepaling houden dat dit niet mag worden gedaan aan personen die jonger zijn dan 18 jaar. De genoemde artikelen moeten namelijk in onderlinge samenhang gelezen worden.

Vermogensinkomstenbijtelling

Door een wetwijziging is het per 1 januari 2013 toegestaan om bij het bepalen van het (verzamel)inkomen, waarop de eigen bijdrage en het eigen aandeel op grond van de Wmo worden berekend, rekening te houden met het vermogen van betrokkenen. De wijziging heeft betrekking op zowel de Wmo als de AWBZ.
De wijziging houdt een verandering van de artikelen 15 en 19 van de Wmo in. Hiermee wordt in het Besluit maatschappelijke ondersteuning het inkomensbegrip aangevuld met een vermogensbijtelling. Bij het bepalen van het toetsingsinkomen voor de eigen bijdrage en het eigen aandeel wordt het (verzamel)inkomen verhoogd met 8% van het vrijgesteld vermogen (sparen en beleggen) in box 3 van de inkomstenbelasting. Bij de bepaling van het inkomen houdt de Belastingdienst al rekening met de huidige bijtelling van 4% van het vermogen (sparen en beleggen) boven de vrijstellingsgrens per persoon (€ 20.785) of huishouden (echtpaar € 41.470), daar wordt dan 8% van het vermogen door het CAK bijgeteld.
Over het aldus verhoogde inkomen wordt de eigen bijdrage of het eigen aandeel berekend.

Het is niet nodig, dat gemeenten in verband met deze vermogensbijtelling hun besluiten, beleidsregels of verordening hierop gaan aanpassen. Een vermelding in toelichtende zin kan voor burgers wel verhelderend zijn.
Bij deze wijziging wordt nog benadrukt, dat het eigen huis dus niet tot dit vermogen wordt gerekend. Verder blijft het hanteren van een vermogenstoets in strijd met de wet.

Zie hiervoor ook het nieuwsbericht op deze site en de site rijksoverheid.nl.