Evaluatie Wmo
Op 1 januari 2007 is de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) in werking getreden. Een belangrijk doel van de wet is mensen meer te laten meedoen in de maatschappij. Gemeenten dienen mensen die dat nodig hebben hierbij te ondersteunen, bijvoorbeeld door het bieden van hulp bij het huishouden, vervoersvoorzieningen of ondersteuning voor overbelaste mantelzorgers.
Het ministerie van VWS heeft aan het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) gevraagd om onderzoek te doen naar de werking van de Wmo. Dit evaluatieonderzoek vloeit voort uit artikel 24 van de wet, waarin staat dat de wet periodiek zal worden geëvalueerd. In de periode 2007-2009 is dit voor het eerst gedaan.
Uit een evaluatie van het SCP is gebleken dat de meeste gemeenten de wet uitvoeren zoals de wetgever haar bedoeld heeft. Ook de bij Wmo betrokken actoren (gemeentelijke functionarissen, cliënten- en uitvoerende organisaties) beoordelen de werking van de wet overwegend positief. Uit het onderzoek is onder meer het volgende naar voren gekomen:
- In 50% van de gemeenten vinden gemeenten, cliënten en organisaties op het terrein van wonen, zorg en welzijn dat de Wmo de samenhang in het beleid heeft doen toenemen;
- In 2008 heeft vijf op de zes gemeenten gekozen voor een brede invulling van de Wmo, met ook aandacht voor sociale samenhang en kwetsbare burgers;
- De gemeenten zijn nog niet klaar met hun Wmo-beleid. In 2008 trof 80% van de gemeenten nieuwe voorzieningen of stelden nieuw beleid vast;
- In 2008 werkte 67% van de gemeenten formeel samen met andere gemeenten. Zij doen dit vooral bij de aanbesteding van de huishoudelijke hulp, maar ook bij opvoedingsondersteuning, beleid voor vrijwilligers en mantelzorgers of de verstrekking van individuele voorzieningen;
- In 2007 had 95% van de gemeenten een Wmo-raad. Volgens cliëntenorganisaties worden de belangen van mensen met een lichamelijke beperking en van ouderen in circa 85% van de gemeenten goed behartigd. Kleine doelgroepen, zoals mensen met een verstandelijke beperking of een chronisch psychische beperking, zijn minder goed vertegenwoordigd in de Wmo-raad dan ouderen of mensen met een lichamelijke beperking;
- 68% van de betrokkenen meent dat de Wmo leidt tot te veel marktwerking;
- 13% van mensen met een matige of ernstige lichamelijke beperking heeft behoefte aan meer ondersteuning;
- Ruim 90% van de aanvragen wordt (deels) toegewezen. Jonge en samenwonende aanvragers krijgen vaker een afwijzing dan anderen;
- Circa 85% van de Wmo-aanvragers vindt zichzelf, met de ondersteuning die zij hebben, voldoende redzaam op de terreinen waarop gemeenten hen moeten ondersteunen: het voeren van een huishouden, het zich in en om de woning verplaatsen, het zich lokaal verplaatsen en het ontmoeten van andere mensen;
- Van de aanvragers van Wmo-voorzieningen heeft 62% mantelzorg (hulp van huisgenoten, familie of vrienden in verband met het hebben van een beperking);
- Acht op de tien mantelzorgers die betrokken waren bij de aanvraagprocedure van een aanvrager, zeggen dat er tijdens die procedure niet aan hen is gevraagd of ze zelf ook ondersteuning nodig hebben. De meerderheid (60%) van hen heeft behoefte aan ondersteuning.
Het onderzoek moet eind 2009 gereed zijn, maar zal tussentijds een aantal rapporten opleveren. Meer informatie over dit onderzoek is te verkrijgen bij het Sociaal en Cultureel Planbureau.
