Financiën Wmo
Bij de start van de Wmo in 2007 heeft het Rijk (de gemeentefondsbeheerders - de minister van Financiën en de staatssecretaris van BZK – en de minister van VWS vanwege zijn verantwoordelijkheid voor de Wmo) een Financieel arrangement afgesloten met de VNG.
Dat financieel arrangement bevat de volgende afspraken.
Wanneer we het hebben over de financiën bij het invoeren van de Wmo, dan zijn er drie onderwerpen belangrijk:
- Welk macro-bedrag is beschikbaar voor uitvoering van de huishoudelijke hulp op grond van de Wmo en hoe vindt de verdeling van het budget voor huishoudelijke hulp over de gemeenten geregeld?
- Welk bedrag is voor uitvoeringskosten beschikbaar?
- Welke regels zijn er rondom het opleggen van een eigen bijdrage?
1. Welk bedrag ontvangt een gemeente voor uitvoering van de Wmo?
Gemeentefondscirculaire
In de gemeentefondscirculaire van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die jaarlijks in mei en september verschijnt, vindt u informatie over het Wmo-budget voor huishoudelijke hulp voor het lopende en het aankomende jaar.
De meest recente gemeentefondscirculaire is die van september 2010 (link naar externe website). Daarin is het Wmo-budget voor 2010 en voor 2011 opgenomen. Zoals u in die circulaire kunt lezen is het Wmo-budget 2011 voor huishoudelijke hulp door het Rijk bepaald op € 1,3 miljard. Dat bedrag is gebaseerd op het definitieve bindende advies van het SCP die als onafhankelijke derde fungeert voor de Wmo In het budget is ook een neerwaartste bijstelling verwerkt van € 200 miljoen die reeds in de junicirculaire (link naar externe website) is aangekondigd.
Het Rijk heeft over deze bedragen en over een herziening van het financieel arrangement (waar in juni nog sprake van was) geen overeenstemming bereikt met de VNG, omdat de VNG het niet eens is met de korting van € 200 miljoen.
Het voornemen van het Rijk om te komen tot een herziening van het financieel arrangement gemeenten heeft als doel gemeenten meer ruimte te geven bij de inzet van de middelen voor huishoudelijke hulp. Het Rijk wil de middelen voor huishoudelijk hulp toevoegen aan de algemene uitkering van het gemeentefonds. Daarmee zou het element uit het huidige financieel arrangement dat het budget voor huishoudelijke hulp voor het volgende jaar (t+1) jaarlijks (in het jaar t) wordt gebaseerd op de realisatie uit het vorige jaar (t-1) verdwijnen. Die systematiek leidt tot nu toe namelijk steeds tot neerwaartse bijstellingen van het budget en tot bestuurlijke en financiële onrust. Bovendien sluit de herziening optimaal aan bij het programma Welzijn Nieuwe Stijl.
Echter, nu er op dit moment geen herziening van het financieel arrangement plaatsvindt, worden de afspraken uit het huidige financieel arrangement voor 2011 gecontinueerd. Dit betekent dat het SCP als onafhankelijke derde in 2011 t.b.v. het budget 2012 voor huishoudelijke hulp opnieuw een bindend en een niet-bindend advies zal uitbrengen op grond van de realisatie in het jaar 2010. Dat advies wordt in het voorjaar van 2011 besproken tussen het Rijk en de VNG in een Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen en leidt tot de budgetbepaling voor het jaar 2012.
Macro-budget
Bij de start van de Wmo zijn de middelen voor huishoudelijke hulp ‘schoon aan de haak’ overgegaan naar de gemeenten. Bij het bepalen van het uitgavenniveau voor huishoudelijke hulp is in overleg met de VNG gekozen voor het jaar 2005. Vervolgens is dat bedrag verhoogd naar het prijspeil van 2007 (indexering voor de jaren 2006 en 2007).
SCP als onafhankelijke derde ingeschakeld
Het SCP is in het kader van het financieel arrangement ingesteld als onafhankelijke derde. Het SCP heeft in die rol als taak in het jaar t een bindend advies uit te brengen over het macrobudget voor huishoudelijke hulp voor het jaar t+1 op grond van de realisatie in het jaar t-1 (concreet betekent dit dat het SCP in 2011 een advies uitbrengt voor het jaar 2012 op grond van de realisatie in het jaar 2010). Het SCP brengt in april een voorlopig advies uit en in augustus een definitief advies. Dit advies wordt gebruikt voor de budget-bepaling in het Bestuurlijk Overleg Financiele Verhoudingen tussen het Rijk (de gemeentefondsbeheerders BZK en financiën en VWS omdat zij beleidsinhoudelijk verantwoordelijk zijn voor de Wmo) en de VNG. Daarnaast brengt het SCP drie niet-bindende adviezen uit over de passendheid van het macrobudget huishoudelijke hulp, over de macro-omvang van het totale Wmo-budget en de effecten van het compensatiebeginsel en de pgb-verplichting en over de toereikendheid van het objectief verdeelmodel.
Verdeling van het macrobudget over gemeenten
De middelen zijn in 2007 op historische basis verdeeld over de gemeenten. Vanaf 2008 is een objectief verdeelmodel ingevoerd voor het Wmo-budget met de volgende kenmerken: leeftijd, gezinssamenstelling, inkomen, arbeidsgerelateerde zorgbehoefte en geografische factoren. Per 2011 is het objectieve verdeelmodel n.a.v. de motie Willemse-Van der Ploeg (TK 31795) verfijnd met de kenmerken gezondheidstoestand en gemiddeld gestandaardiseerd inkomen. Om de verschillen tussen het historische bedrag uit 2007 voor huishoudelijke hulp en het objectieve bedrag vanaf 2008 op te vangen heeft het ministerie van BZK, conform de regels van het gemeentefonds, een suppletieregeling ingesteld.
Indexatie
In het financieel arrangement zijn afspraken gemaakt over de jaarlijkse indexatie voor het loon- en prijzeneffect en over een volume-indexatie (het aantal extramuraal wonende 75-plussers).
Beleidsvrijheid en financiële vrijheid
Gemeenten kunnen het Wmo-budget – binnen de grenzen van de wet - inzetten zoals zij zelf wensen. Er vindt primair horizontale verantwoording plaats op lokaal niveau.
2. Uitvoeringskosten
Structureel is vanaf 2007 € 75 miljoen aan uitvoeringskosten beschikbaar gesteld. Per 2011 zal dit bedrag bijna verdubbeld worden. Op grond van onderzoek naar de uitvoeringskosten bij gemeenten is gebleken dat de uitvoeringkosten hoger liggen. Daarom ontvangen gemeenten vanaf 2011 structureel € 70 miljoen extra voor uitvoeringskosten.
3. Eigen bijdrage (zie ook aparte toelichting)
In de Wmo worden gemeenten verantwoordelijk voor de vormgeving van de gemeentelijke eigen bijdrageregeling. De gemeente moet zich daarbij wel houden aan de kaders die door het Rijk zijn vastgelegd in de Algemene Maatregel van Bestuur (staatsblad 450) (pdf). In het Bestuurlijk Overleg met de VNG van 30 oktober 2006 is afgesproken om de inhouding van eigen bijdragen op het Wmo budget vast te stellen op basis van wat er onder het AWBZ regime in 2005 is opgelegd aan eigen bijdragen op huishoudelijke verzorging. In de regeling vaststellen eigen bijdragen (pdf) vindt u de aangepaste bedragen per 1 januari 2008. Hier vindt u meer informatie over de eigen bijdrage.
Relevante documenten
Definitief advies over het Wmo budget huishoudelijke hulp voor 2011 (augustus 2010) (pdf)
Eindrapportage 'Monitor uitvoeringskosten Wmo' (maart 2010) (pdf)
Antwoorden op kamervragen van Wolbert over de verdeling van Wmo-gelden (2 oktober 2008) (word)
Analyse gebruik huishoudelijke verzorging 2005-2006 (pdf)
Maatschappelijke opvang: het verdeelmodel (juni 2007) (word)
Second opinion verdeelonderzoek maatschappelijke opvang en verslavingsbeleid (mei 2007) (word)
Verdeelsleutel Collectieve preventie GGZ (september 2006) (pdf)
Julibrief 2006 (word)
Eindrapportage Plausibiliteitstoets verdeelsleutel Wmo (april 2006) (pdf)
Verdeelsleutel Wmo (september 2005-2007) (pdf)
